Als je elkaar kent, vraag je makkelijker | Spaarne Gasthuis
Ga direct naar de contentGa direct naar de footer

Als je elkaar kent, vraag je makkelijker

Publiceerdatum

Het Spaarne Gasthuis bestaat 11 jaar in 2026. Maar het ziekenhuis bestaat al veel langer in onze regio. Medewerkers van ons ziekenhuis en andere zorginstellingen blikken terug op hun eigen geschiedenis in de zorg. Waarom werken zij in de zorg en wat is het verschil tussen toen en nu? In dit artikel is Renée aan het woord. Zij is sociaal makelaar bij Buurts.

Samen zorgen. Toen, nu en straks.

Als kind ging ik al met mijn moeder mee

Mijn moeder werkte als arts bij Sein en als kind ging ik altijd al met haar mee. Ik vond het een soort vakantiepark daar, met allemaal kleine huisjes en volop ruimte om te skeeleren. Ik kwam daar natuurlijk ook in contact met de bewoners en ik merkte dat dat me goed afging. Dus zo ben ik in de zorg terechtgekomen, als agogisch medewerker. Het werk bij Sein lag me heel goed. Maar op een gegeven moment gingen de onregelmatige diensten me opbreken. Het was niet meer te combineren met een gezin, ook doordat mijn man in de horeca werkt. We zagen elkaar nog maar nauwelijks. Uiteindelijk heeft dat me doen besluiten om als coördinator welzijn te gaan werken in de ouderenzorg. 

Steeds weer afscheid nemen

Daar had ik veel te maken met mensen met een haperend brein. Het verdriet dat daarbij kwam kijken, en steeds weer het afscheid nemen van een bewoner, daar was ik op die jonge leeftijd (ik was 25) nog niet tegen opgewassen. Mijn collega’s, van wie de meeste al wat ouder waren, waren daarin misschien al wat meer gehard, maar mij raakte het gewoon heel erg. En ik kon daar niet brengen wat ik wilde. Ik wilde graag dingen veranderen, maar dat was heel moeilijk.

Ik zie mezelf als wegwijzer

Nu ben ik sociaal makelaar bij Buurts in Meerwijk, Schalkwijk. Dat is een heel diverse wijk met veel verschillende mensen: ouderen, mensen met een migratieachtergrond, mensen met een verstandelijke beperking, mensen met psychische problemen. Die moeten allemaal met elkaar samen zien te leven in flats en dat loopt niet altijd even soepel.

Ik zie mezelf als een soort wegwijzer. Ik ben als sociaal makelaar de ogen en oren in de wijk en het aanspreekpunt voor de mensen die er wonen. Bij Buurts streven we ernaar dat mensen die bij ons binnenkomen ook door ons verder worden geholpen. We wijzen niemand de deur.

Eigenlijk past het woord opbouwwerker beter bij wat ik doe. Je bouwt iets op met de wijk, met de straat, met bewoners. De term ‘makelaar’ kan ook verwarrend zijn. Ik hoor wel eens van mijn collega dat ze wordt benaderd door mensen die op zoek zijn naar een huis.

Wat iemand zelf kan, moet je hem ook zelf laten doen

De uitdaging voor mij is om het niet van mensen over te nemen. Dat vond ik in het begin wel moeilijk. Dan ging ik zaken lopen regelen. Maar nu zie ik in hoe belangrijk het is om dingen terug te leggen. Dat iemand wat hij zelf kan ook zelf doet, anders sla je mensen lam. Dat kost tijd, maar uiteindelijk zul je zien dat die persoon minder vaak terugkomt voor hulp.

Toen ik begon in de gehandicaptenzorg was er geld in overvloed, of zo voelde dat althans voor mij. Ik herinner me dat ik wel met bewoners kleding mocht gaan kopen: daar kregen we tijd voor. Ik ging ook met ze mee naar de tandarts of de dokter. Later werd dat de taak van de familie, maar ja, wanneer ga je dat doen als je zelf werkt of ver weg woont. Dus die waren daar niet blij mee. Diezelfde beweging zie je nu ook in de thuiszorg. Het gebeurt nu bijvoorbeeld wel dat mensen niet meer naar de activiteiten kunnen komen die ze graag bezoeken, omdat de thuiszorg pas laat in de ochtend kan komen om de steunkousen aan te trekken. Dan gaan we toch met ze in gesprek of er niet iemand in hun familie of netwerk is die ze kan helpen. Maar dat zit er bij mensen nog niet in. En wij moeten er ook aan wennen, in welzijnsland. Nu lukt er nog best veel, maar we merken dat mensen steeds vaker minder zorg krijgen dan wij voor ze aanvragen.

Mijn moeder is mijn voorbeeld

Mijn moeder is echt een voorbeeld voor me geweest. Voor haar was iedereen even belangrijk. Als ze bij een bewoner werd gevraagd, vroeg ze ook aan de medewerkers op niveau 2 wat zij zagen, wat zij vonden. Daarin lijk ik wel op haar: ik voel me echt een verbinder, we hebben elkaar allemaal nodig. Huisarts, thuiszorg, ziekenhuis en sociaal makelaars zoals wij: we zien allemaal dezelfde mensen. Daarom is het nodig om als organisaties goed samen te werken. We weten elkaar steeds beter te vinden, en dat wil ik graag behouden. Tenslotte hebben is de toekomst voor ons allemaal dezelfde.

Mensen bellen een ambulance, maar willen soms vooral gehoord worden

Zo hoor ik best regelmatig dat bewoners uit de wijk in het weekend naar de spoedeisende hulp gaan. Door de week zijn er activiteiten, de thuiszorg komt en dat biedt afleiding van hun kwalen. Maar als ze dan in het weekend alleen zijn ervaren ze de klachten veel heftiger. Dan wordt er wel eens ten onrechte een ambulance gebeld. Natuurlijk geldt dit voor lang niet iedereen, maar er zijn zeker situaties waarvan ik denk dat het anders had gekund. Er zijn bijvoorbeeld mensen met psychische problemen die bijna wekelijks een ambulance bellen omdat ze niet weten wat ze met zichzelf aan moeten. Vaak is het een signaal om aandacht. Mensen willen gezien worden en gehoord. Daar moeten we veel meer bovenop zitten.

We hebben ook veel bewoners onder onze hoede die eerst begeleiding kregen van perMens of Ons Tweede Thuis, vaak twee of drie keer in de week. Nu wij het hebben overgenomen is dat in veel gevallen teruggebracht naar één keer per week.. Dat is voor de bewoners in eerste instantie best heftig. Toch denk ik dat het goed is dat je zo nu en dan samen kijkt wat er echt nodig is, of het ook anders kan. Er is heel veel aanbod, maar dat is nog bij lang niet iedereen bekend. Zo hebben we als Buurts een Huis in de Wijk, maar dat heeft toch een beetje de naam dat het vooral voor mensen is die problemen hebben. Terwijl het vooral ook een gezellige ontmoetingsplek moet zijn, voor iedereen. Dat begint wel steeds meer te komen.

Een bezemkast met twee stoelen en een koffiezetapparaat

We hebben in onze maatschappij het beetje afgeleerd om hulp te vragen, of aan te bieden. Onze buurvrouw had een tijdje geleden haar been gebroken, . Ik had best een paar keer boodschappen voor haar kunnen doen, maar in de drukte heb ik er niet aan gedacht. Terwijl mijn zoon het ook had kunnen doen. Maar je vergeet het zo makkelijk. Dat vragen aan elkaar, dan moeten we weer wat meer terug zien te halen. Elkaar leren kennen is daarbij de eerste stap. Als je elkaar kent, vraag je makkelijker.

In de flats waar ik kom kennen mensen elkaar meestal niet en is er ook geen ruimte om elkaar te ontmoeten en te léren kennen. Terwijl daar helemaal niet zo veel voor nodig is: aan een bezemkast heb je bij wijze van spreken genoeg. Koffiezetapparaatje erin en een paar stoelen, en klaar ben je. In zo’n ruimte zitten dan twee vrijwilligers waar bewoners terecht kunnen met allerlei vragen. Mensen hebben vaak geen idee waar ze heen moeten.

‘Samen’ begint voor mij bij aandacht hebben voor elkaar. Dat we durven vragen: “Wat is er aan de hand? Kan ik u helpen?” En dan niet alleen aan de mensen die dichtbij staan, maar juist aan degenen die bozig zijn, waar je het liefst met een boog omheen zou lopen. Want dat zijn vaak de mensen die je hulp en aandacht het hardste nodig hebben.