Ik ben altijd bij mijn eerste liefde gebleven
Publiceerdatum
Het Spaarne Gasthuis bestaat 11 jaar in 2026. Maar het ziekenhuis bestaat al veel langer in onze regio. Medewerkers blikken terug op hun eigen geschiedenis in Spaarne Gasthuis en diens voorgangers. Waarom werken zij hier al zo lang en wat is het verschil tussen toen en nu? In dit artikel is Ellen, gepensioneerd bestuurssecretaresse, aan het woord.
_1280w_original.jpg)
Samen zorgen. Toen, nu en straks.
In mijn familie ben ik een vreemde eend
Ik kan me niet voorstellen dat ik ergens anders zou werken dan in een ziekenhuis. Daarmee ben ik in de familie wel een vreemde eend in de bijt, want de rest zit allemaal in het bedrijfsleven. Ik heb een zorghart, maar ik ben ook erg van de structuur. Daarom paste de functie van doksterassistente mij als een jas. Ik ben in 1977 begonnen, op de polikliniek neurologie van het Diaconessenhuis in Heemstede. Je had in die tijd nog geen computers, dus je moest alles met de hand noteren. Van de vaste patiënten kende ik op een goed moment niet alleen de naam, maar ook de geboortedatum en het ziekenfondsnummer. In de digitale systemen die we later kregen hoefde je gegevens nog maar één keer in te voeren, en dan was het klaar.
Er was een sterk gevoel van saamhorigheid
Ik heb goede herinneringen aan die tijd. Er heerste op de poli een enorm gevoel van saamhorigheid: we hadden echt iets voor elkaar over. Als het spreekuur uitliep (en dat gebeurde nogal eens) en er was nog een collega bezig, dan hielp je elkaar met opruimen. Het zal hebben meegespeeld dat het Diaconessenhuis een klein ziekenhuis was. Iedereen kende elkaar. Dat veranderde toen we gingen fuseren met de Mariastichting. Daar was best veel verzet tegen. De eenheid was weg. Ik zeg altijd dat het wel een generatie kan duren voordat je na een fusie weer één organisatie bent.
Ik denk dat ik toen al wel merkte dat de omgang met patiënten begon te verruwen. In mijn begintijd zaten mensen geduldig te wachten op hun beurt, ook als het spreekuur uitliep. Als je zei dat de dokter was weggeroepen voor een spoedgeval en dat dat wel even kon duren, dan werd dat gewoon geaccepteerd. Maar gaandeweg werd het lontje van veel patiënten steeds korter. Ik snap best dat het niet leuk is om te wachten en je mag ook best voor jezelf opkomen, maar dat ruwe, dat grove, dat is toch nergens voor nodig?
Vergaderstukken werden per koerier aan huis gebracht
Ik was 23 jaar doktersassistente toen ik door de toenmalig financieel directeur werd gevraagd voor een functie als directiesecretaresse. Ik ben toen een dagje gaan meelopen, want ik was wel benieuwd wat ze daar bij die directie zo de hele dag deden. Daar heb je op de werkvloer geen idee van. Ik vond het zo leuk dat ik de overstap heb gewaagd. Onder voorwaarde dat ik binnen een halfjaar altijd nog terug zou kunnen, mocht het me toch niet bevallen. Uiteindelijk ben ik ook daar weer 23 jaar gebleven.
Met een collega bereidde ik onder meer de vergaderingen voor met de raad van toezicht. Tot laat in de avond waren we bezig om vergaderstukken te printen, die dan per koerier bij de leden van de raad van toezicht thuis gebracht werden. Er was al e-mail maar de raad van toezicht wilde het liefst de vergaderstukken geprint hebben. Toen ze uiteindelijk over waren op e-mail werd ons werk een stuk makkelijker. De digitalisering maakte het werk ook veel sneller. Je draaide je om en je had dan weer een nieuwe opdracht die gisteren af moest, bij wijze van spreken.
Afstand tussen werkvloer en bestuur
Ik heb in die 23 jaar heel wat bestuurders zien komen en gaan. Allemaal werkten ze even hard en allemaal waren ze enorm betrokken bij de organisatie. Ze staan alleen zo ver van de werkvloer af. We hebben een bestuurder gehad die echt doelbewust dagen inplande om mee te lopen in de zorg. Maar op het ‘uur u’ kwam daar dan vaak iets tussen en moest het afgezegd worden. Uiteindelijk verwatert zo’n initiatief dan jammer genoeg toch weer.
Ik zat overal met mijn neus bovenop
Een periode die me ook altijd zal blijven, is de coronapandemie. In een uur tijd werden er snel dingen geregeld, waar normaal maanden over vergaderd wordt. Ineens was ook die saamhorigheid weer helemaal terug. Als bestuurssecretaresse zat ik dicht bij het vuur. Alle besluiten die genomen moesten worden, welke zorg wel kon doorgaan en welke niet, welke afdelingen vergroot werden, hoe de verdeling was van personeel: ik zat overal met mijn neus bovenop. Iedere dag weer die enorme aantallen patiënten die in het ziekenhuis werden opgenomen en de tent die buiten stond voor de triage, het waren bizarre tijden. Het was een enorme crisis, maar aan de andere kant ook een heel interessante en dynamische tijd.
Voorbereid op het ouder worden
Over de toekomst maak ik me soms wel zorgen. Ik denk dat er in het verleden een grote fout is gemaakt door de bejaardenhuizen af te schaffen. Je hoort nu zo vaak dat mensen thuis zitten te verpieteren. Er zal ook steeds meer terechtkomen op de schouders van de mantelzorgers. Daar ben ik op zich niet tegen, maar echte zorgtaken: die horen bij de zorg. Dat kun je niet door familie of buren laten doen. Maar dan moeten de mensen er in de zorg wel zijn. In de tijd dat ik voor mijn vader zorgde heb ik de grootste bewondering gekregen voor de thuiszorgmedewerkers. Hoeveel die moeten doen en in zo’n korte tijd: dat is haast niet vol te houden.
Zelf ben ik me al wel een beetje aan het voorbereiden op het ouder worden. Na het overlijden van mijn vader heb ik mijn ouderlijk huis gekocht en helemaal verbouwd, zodat het nu levensloopbestendig is. Drempelvrij, brede deuren. En de trap is zo gemaakt dat er eventueel een traplift in kan. Ik hoop dat ik het zo nog een poosje kan uitzingen. Het belangrijkste is dat ik gezond mag blijven. Ik zie me zelf namelijk voorlopig nog niet in een woongemeenschap wonen: daarvoor zijn mijn vrijheid en mijn privacy me te lief.
Ik heb de mensen in mijn hart gesloten
Als ik terugkijk is er in al die jaren geen dag geweest dat ik niet met plezier naar mijn werk ben gegaan. Natuurlijk waren er wel eens dingen waar ik het niet zo mee eens was, of die ik lastig vond, maar dan probeerde ik er altijd wel weer een draai aan te geven. Je kunt je kont wel tegen de krib gooien, maar daar heb je uiteindelijk vooral jezelf mee. Het leukste vond ik de vele contacten die ik had door het hele huis. Heel veel mensen, ook patiënten, kenden mij. Laatst nog werd ik in mijn dorp aangesproken door iemand die in het ziekenhuis was geweest en die daar posters had zien hangen dat ik met pensioen ging. Dat vind ik wel bijzonder. Het ziekenhuis is gewoon een enorm belangrijk deel geweest van mijn leven. Het werk zelf zal ik niet zo missen, maar de mensen, die heb ik in mijn hart gesloten.