Voor hetzelfde geld was ik dj geworden
Publiceerdatum
Het Spaarne Gasthuis bestaat 11 jaar in 2026. Maar het ziekenhuis bestaat al veel langer in onze regio. Medewerkers blikken terug op hun eigen geschiedenis in Spaarne Gasthuis en diens voorgangers. Waarom werken zij hier al zo lang en wat is het verschil tussen toen en nu? In dit artikel is Simeon, geestelijk verzorger, aan het woord.

Samen zorgen. Toen, nu en straks.
Van illegale technofeesten naar het hospice
“Betekenisvol kunnen zijn voor een ander, dat is altijd een belangrijke drijfveer geweest in mijn leven. Als tiener al organiseerde ik illegale technofeesten in kraakpanden, omdat ik het tof vond om een grote groep mensen blij te maken. Voor hetzelfde geld was ik dj geworden. Ik had daar ook wel verder in gewild, maar er was geen studie voor festival organisator. Toen ben ik cultureel maatschappelijke vorming gaan doen, en aansluitend filosofie. De studie filosofie vond ik interessant, maar het was erg academisch: je helpt er helemaal niemand mee. Tijdens mijn studie werkte ik als huishoudelijke hulp in de thuiszorg, en later als vrijwilliger in een hospice. Begin twintig was ik toen: ik was de jongste. En zo ben ik uiteindelijk bij de zorg uitgekomen.
Onbekend maakt onbemind
De eerste ziekenhuizen waren natuurlijk kloosters. De geestelijke zorg was daar belangrijker dan de fysieke zorg van de artsen, want de medische zorg was nog niet zo ver ontwikkeld. Met de verzuiling, later, kreeg elke zuil zijn eigen ziekenhuis en de bijbehorende geestelijk verzorgers: protestants, katholiek, Joods. Het is pas sinds een jaar of vijftien dat je in de ziekenhuizen ook geestelijk verzorgers vindt die niet gebonden zijn aan een religieuze stroming of levensovertuiging, zoals ikzelf. Dat sluit goed aan op een groeiende groep Nederlanders die ook spiritueel ongebonden zijn.
Toch is er tot mijn verbazing nog altijd veel onwetendheid over wat een geestelijk verzorger is en doet. Mensen, ook zorgprofessionals, denken vaak dat we allemaal priester zijn of dominee en daar heeft niet iedereen positieve associaties mee. We werken er hard aan die vooroordelen weg te nemen en meer bekendheid te geven aan ons werk, bijvoorbeeld via klinische lessen. Op die manier laten we zien dat we een professioneel beroep zijn in de zorg en merken we dat de samenwerkingen steeds beter gaan.
Verbinding van mens tot mens
Ons team is heel divers: humanistisch, islamitisch, katholiek, protestant en ongebonden. Dat stelt ons in staat om met vrijwel iedereen gesprekken te voeren. Soms vraagt iemand specifiek naar een geestelijk verzorger met een bepaalde achtergrond. Dan moeten we die van buiten inroepen. Maar dat is zelden nodig. Elke ontmoeting doe ik met een open hart en vanuit dezelfde intentie: een niet oplossende, niet oordelende aanwezigheid, gelijkwaardig, medemenselijk. Dat maakt dat mensen zich vrij voelen om te zeggen wat ze normaal niet zouden uitspreken. Zelf niet bij een partner of hun kinderen, omdat ze zich dan bijvoorbeeld schuldig voelen of de ander niet tot last wil zijn.
Vertrouwdheid met de dood
Ik ben zo ver ik weet de enige geestelijk verzorger in een ziekenhuis met een achtergrond in de filosofie. De meeste van mijn collega’s hebben theologie gestudeerd of humanistiek. Ik ben Boeddhist, maar dat is voor mijn werk eigenlijk niet relevant. Het gaat om de ontmoeting. Wat ik meeneem uit het Boeddhisme is mijn vertrouwdheid met de dood. In het Boeddhisme is de dood heel belangrijk. Als je dichtbij de dood kunt staan en er niet meer van wegloopt, dan ben je vrij. De vragen die ik stel aan de patiënten over het leven en de levensvraag zijn dezelfde vragen die ik mezelf heb gesteld in mijn eigen spirituele zoektocht. Voor mij is dat essentieel: ik kan een ander vaak niet verder begeleiden dan ik zelf ben geweest.
Leren leven met verlies
Als je niet ziek bent, dan lijkt je bestaan als mens heel vanzelfsprekend. Ziekte en verlies confronteren je met de vergankelijkheid van het leven, dat je als mens kwetsbaar bent en feilbaar. Zaken waar je betekenis aan ontleende vallen weg. De rol van de geestelijk verzorger is om daarover in gesprek te gaan, een luisterend oor te bieden. Wij hebben alle tijd om naast de patiënt te gaan zitten. We luisteren en helpen zoeken naar woorden die bij hen passen. Dit is wie ik was, en dit is wie ik nu ben, en dit is het startpunt van de rest van mijn leven. Hoe kan ik daar betekenis aan geven? Hoe ga ik leven met dit verlies?
Een woordeloze taal
Ook in mijn eigen leven heb ik verlies ervaren. Mijn vrouw en ik hebben twee keer een miskraam moeten verwerken. Na de eerste miskraam hebben we het embryootje begraven onder de appelboom in onze tuin, op bloemblaadjes in een houten kistje. Toen we verhuisden hebben we de appelboom meegenomen, maar het kistje zat nog in de grond. Een paar maanden later kwamen de nieuwe bewoners van ons oude huis aan de deur met het kistje. Aan de buitenkant was het nog helemaal gaaf, maar de inhoud was helemaal verteerd en opgenomen door de natuur. Het is ons heel dierbaar. Ik neem het tegenwoordig altijd mee, als ik klinische lessen geef aan verpleegkundigen of artsen over het belang van rituelen. Met rituelen kun je recht doen aan waar je geen woorden aan kunt geven. Het is een woordeloze taal, voorbij rationeel begrijpen. En juist dit is een taal die wij als geestelijk verzorgers beheersen en waarmee we mensen kunnen ondersteunen als woorden tekortschieten. Daarvoor staat dit kistje symbool. En hoe bijzonder is het dat deze mensen de betekenis hebben aangevoeld die het voor ons heeft.
Uiteindelijk draait het om medemenselijkheid
In de jaren dat ik in de zorg werk merk ik dat het steeds vaker gaat over schaarste. Er is niet genoeg personeel en er is ook nooit genoeg geld. Ik vind het jammer dat dit geluid zo dominant is. Er is heel veel nadruk komen te liggen op geld en protocollen en taken en efficiëntie. De positieve krachten van passie en lief zijn voor elkaar raken steeds meer in de verdrukking. We moeten zo veel dat we vergeten wat we eigenlijk zouden willen. En dat is misschien even iets langer naast een patiënt kunnen zitten, even wat extra’s doen en niet alleen die takenlijst afwerken. Ik begeleid mensen die hier al weken liggen, die de beste en duurste zorg ter wereld krijgen, maar doodongelukkig en doodeenzaam zijn. Uiteindelijk gaat het allemaal om medemenselijkheid.
Ik ben elke dag minstens een uur onderweg naar mijn werk en zolang ik dat doe weet ik dat ik mijn werk waardevol vind. Wat ik het meest bijzonder vind is dat iemand die mij niet kent en die ik niet ken, bij mij zijn hart blootlegt. Dat die mij in vertrouwen neemt en dingen deelt die de kern van het leven raken. Daar ben ik heel dankbaar voor. Dat zijn de momenten waar ik het voor doe.
Misschien word ik nog uitvaartbegeleider
Maar alleen patiëntencontact zou voor mij niet genoeg zijn. Ik heb afwisseling nodig. Dus ik zit ook in Jong SG en in de kunstcommissie. Zolang het Spaarne Gasthuis daarvoor de ruimte en de middelen biedt blijft het voor mij leuk om hier te werken. Het is mijn ervaring dat dit ziekenhuis openstaat voor goede ideeën, al blijft het tegelijk een verschrikkelijk bureaucratische bedoening. Ook mij zakt soms de moed in de schoenen. Dan denk ik na een paar maanden ploeteren: laat maar zitten. Dus of ik over tien jaar nog geestelijk verzorger ben: ik zou het niet durven zeggen. Misschien word ik wel uitvaartbegeleider: dat lijkt me ook een prachtig beroep.